Deze nota onderzoekt de identificatie van kwetsbaarheden bij verzoekers om internationale bescherming die aan de Belgische grens worden vastgehouden, in het licht van de nieuwe Screeningverordening. Eerst wordt het begrip kwetsbaarheid afgebakend en wordt het Belgische en Europese wetgevend en beleidskader inzake kwetsbaarheid en detentie van verzoekers om internationale bescherming besproken. Daarbij gaat bijzondere aandacht naar de verplichtingen inzake de identificatie van kwetsbaarheden onder de Screeningverordening en naar de Belgische implementatie ervan.
Vervolgens analyseert de nota de huidige praktijk aan de Belgische grens, op basis van 71 dossiers en gesprekken met betrokken overheidsinstanties. Hoewel binnen de gesloten centra verschillende mechanismen bestaan om kwetsbaarheden te signaleren en op te volgen, roept de praktijk vragen op over de mate waarin kwetsbaarheden, in het bijzonder minder zichtbare kwetsbaarheden, systematisch en vroegtijdig worden geïdentificeerd en vervolgens meegenomen in de verdere procedure en de beoordeling van de detentie.
NANSEN formuleert tot slot concrete aanbevelingen om de nieuwe screening daadwerkelijk te laten bijdragen aan de bescherming van kwetsbare verzoekers om internationale bescherming. Deze hebben betrekking op een systematische en vroegtijdige identificatie en opvolging van kwetsbaarheden, op duidelijke waarborgen voor de beoordeling van kwetsbaarheid in het kader van detentie en op de uitbouw van een onafhankelijk en effectief nationaal toezichtmechanisme.